Winnen, winnen, winnen?

December 6th, 2007

Het blijft kwakkelen met de Designprijzen in Nederland designland. De Designprijs Rotterdam beleefde dit jaar z’n tweede – of was het derde – wederopstanding. De Nederlandse Designprijzen verdwijnen langzaam uit beeld en de meer regionaal georienteerde prijzen gaan en staan met de carriere van de verantwoordelijke gedeputeerde of wethouder. Met de brandnieuwe Haagsche North Sea Pearls als meest recente voorbeeld van dit fenomeen.

Dat is merkwaardig omdat de reputatie, autoriteit én het succes van de Engelse, Duitse en Amerikaanse tegenhangers al vele decennia volstrekt onomstreden is. Sterker nog: ze bezwijken bijna onder de enorme belangstelling. Want wie zich niet kan tooien met een iF Award, een Roter Punkt of een IDEA Award telt nauwelijks mee in het in het internationale designgeweld. En dat geldt dus ook voor Nederlandse bureaus en bedrijven.

In Nederland zijn het vooral de vooral de ‘verticale’ prijzen die standhouden. De Lensvelt Interieurprijs weet elk jaar weer het beste op het gebied van interieurvormgeving naar boven te halen. De Stichting het Best Verzorgde Boek doet dat al jarenlang op het gebied van boekvormgeving en om de paar modeprijzen wordt gevochten. Zo moeilijk kan het dus niet zijn. Waarom lukt dat dan niet over de hele designbreedte?

Een deel van het antwoord is terug te vinden in de ‘Umfrage’ van het Duitse designblad ‘Design Report’. Het blad legde de ‘zaakvoerders’ van de iF Design Award, de Designpreis der BRD en de Red Dot Award 14 vragen voor. De antwoorden laten zich lezen als een handboek voor de Eindhovense en Rotterdamse prijsvechters. Deels ontmoedigend, want de vijftigjarige historie van de drie Duitse prijzen valt niet meer in te halen. En tegelijk bemoedigend want ze beconcurreren elkaar al vijftig jaar vrolijk tot op het bot zonder zichtbare schade. En ze worden gerund als ondernemingen met een dito begroting, 2,7 miljoen euro in Hannover wordt tussen neus en lippen door gemeld. Maar de belangrijkste les de verbinding tussen vraag en aanbod die ze alledrie al tijd succesvol wisten te realiseren. Het is het verschil tussen middel en doel, het verschil tussen een designparty en een designerparty én het verschil tussen succes en Eindhoven en Rotterdam.


Landschap

October 10th, 2007

Terecht of niet maar ‘versnipperd’ is de term die al snel komt bovendrijven als de Nederlandse designinfrastructuur wordt gekarakteriseerd. De veelheid van namen, instituten, organisaties en acroniemen hebben gedurende de afgelopen decennia ongetwijfeld aan het ontstaan van dit beeld bijgedragen. Het afwisselende gebruik van de begrippen (industriële) vormgeving, (industrieel) ontwerp en (industrial) design hebben de verwarring nog vergroot. Allerwegen wordt geconstateerd dat een slagvaardig beleid vooral effectief kan worden gerealiseerd met behulp van een laagdrempelig instrument. Veel kan daarbij worden geleerd van het Engelse Design Council. Sinds de jaren vijftig is dit instituut een constante factor in de ontwikkelingen rond het Engelse design en wordt herkend en erkend als hét aanspreekpunt voor design. De stimulerende en structurele rol van de overheid was in is daarbij onontbeerlijk.

De ervaring leert dat deze rol in ons land noch van de overheid, noch van de lagere overheden kan worden verwacht. Het draagvlak voor dergelijke ‘portal’ functie zal dus moeten worden gevonden bij de directe belanghebbenden; de bedrijven (opdrachtgevers), de brancheorganisaties, de kennisinstituten en natuurlijk de ontwerpers zelf. Twee basisvoorwaarden; een goede voedingsbodem en een kritische massa zijn aanwezig en maken het zinvol om te trachten de nu her en der opbloeiende initiatieven samen te voegen. De bereidheid tot samenwerking bij de initiatiefnemers is aanwezig waarbij een paraplu of portalfunctie vooralsnog als het meest haalbaar wordt ervaren. In een vervolgstadium kan de samenwerking worden geformaliseerd via een rechtspersoon.